Bram breekt in: Woonruimte voor de marginale krabbelaars

Op 26 maart jl. schetste econoom en ‘dwarsdenker’ Robin Fransman op een avond over ZZP-ers in het Groninger Forum een doembeeld over een race naar de bodem waarbij iedereen voor steeds minder geld diensten gaat leveren. Ondertussen is er geen belasting te heffen op deze ‘marginale krabbelaars’, zoals Fransman ze noemt. En dat terwijl ze wel gebruik maken van collectieve voorzieningen als de zorg. Een onhoudbare situatie, volgens hem. Sterker, hij vergeleek de situatie waarin veel kleine zelfstandigen nu zitten zelfs met de slavernij. ‘Die slaven waren misschien wel beter af. Hun eigenaren dienden te zorgen voor huisvesting en voedsel. Bij een onderbetaalde ZZP-er hoeft dat zelfs niet.’ Fransman leek te denken dat de meeste zelfstandige ondernemers dat eigenlijk helemaal niet willen, maar daartoe gedwongen zijn, zoals de medewerkers van Post.nl die uit pure nood voor een appel en een ei uw Bol.com bestellingen aan de deur afleveren.

Nieuw eigenaarschap
Er zijn echter ook mensen die voor zichzelf een naam willen maken en daardoor noodgedwongen een leven van marginale krabbelaar moeten leiden alvorens ze kunnen doorbreken. Een van die talenten is Alexander Weeber (30), een schrijver en performer die beter bekend staat als Wabbesch Wabbesch. Enkele van zijn onvergetelijke typetjes zijn Marjolein Rover, Tils Posthumus en Mettie Metworst.

Alexander woont aan de Noordsingel in een voormalig schoolgebouw uit 1880 met een verlaagd systeemplafond van later datum. Het gebouw wordt beheerd door de anti- leegstand organisatie Carex. ‘Eerst woonde ik in een heel klein studiootje aan de WA Scholtenstraat, daar kon ik nauwelijks mijn spullen kwijt.’ Dat is hier wel anders. Alexander heeft naar schatting 80 vierkante meter tot zijn beschikking.

Ik word rondgeleid. In de eerste ruimte met grote klassieke schoolramen staan de eetkamertafel en zijn bureau met computer. Daarna een iets kleinere ruimte met een zelfgetimmerd hoog bed. ‘This is where the magic happens,’ legt Alexander uit. Daarna volgt het grootste lokaal dat is ingericht als woonkamer met sofa’s en een tv. Er staan ook muziekinstrumenten opgesteld en een hometrainer om in conditie te blijven. De hond van Alexander, Fakkel, blijkt in zijn afwezigheid de hele zitting van de sofa te hebben gesloopt. ‘Nu moet ik even boos worden,’ zegt Alexander, ‘het is natuurlijk ook wel vervelend.’

Ik vraag hem waarom zijn gezicht oranje is gekleurd. ‘Oh dat ja, hoe leg ik dat uit?’ Het blijkt niet zo moeilijk. Voor een vriend die een huis heeft gebouwd, slijpt hij bakstenen doormidden. ‘Hij heeft zo’n houtskeletbouw laten neerzetten en nu gaat hij dat beplakken met stukjes baksteen. Eigenlijk sta ik daar helemaal niet achter. Soms ga je over je eigen grenzen heen als je geld nodig hebt.’ Alexander is wat Robin Fransman een typische marginale krabbelaar zou noemen. Toch is het goed dat deze mensen er zijn. Ze bepalen mede de cultuur van de stad. Wabbesch Wabbesch treedt iedere maand op in de Groningse talkshow Stand van Stad en is betrokken bij het cultureel platform de Gym.

Zulke mensen wil je als stad niet kwijtraken, zeker niet omdat er bijvoorbeeld geen gepaste woonruimte voor hen zou zijn. Veel zelfstandige ondernemers verdienen veel te weinig om iets te kunnen kopen. En ook regulier huren is vaak geen optie: bij de corporaties stuiten ze op lange wachtlijsten of woningen die ongeschikt zijn voor een combinatie van wonen en werken en de commerciële huur is gewoon weer veel te duur. Daardoor bouwen ze eigenlijk nooit iets op. Leuk dat leegstandbeheer of anti-kraak, maar waarom zou je investeren in de wetenschap dat je een maand later alweer ergens anders woont en overnieuw kunt beginnen?

Zouden er geen constructies denkbaar zijn waarbij je bijvoorbeeld over de periode van tien jaar langzaam eigenaar zou kunnen worden door telkens iets in de woning te investeren? Alexanders gezicht klaart op en hij begint spontaan te fantaseren over het kookeiland dat hij dan zou aanleggen, met afsluitkap. Vooralsnog kookt hij in het washok van de andere bewoners.

Minder regels
Marije Lamsma (33) werkt als kleine zelfstandige in de catering en is een paar dagen in de week werkzaam bij de tijdelijke huisvester Carex. Je zou haar kunnen kennen van het Noorderzonfestival waar ze met mobiele crêperie van ‘cut the crêpe’ pannenkoekjes bakt. Ik bedoel crêpes. Ze wil wel even een misverstand wegnemen als ik zeg dat Carex een anti-kraak organisatie is. ‘Wij vinden het maatschappelijk niet verantwoord dat er woningnood bestaat en dat er tegelijkertijd gebouwen leegstaan. Anti-kraak organisaties zetten maar een paar mensen in een gebouw terwijl wij het van belang vinden om de ruimte in zo’n pand optimaal te benutten door er woon- en werkruimte beschikbaar te stellen.’

Volgens Marije is wonen bij Carex deels noodzaak en deels ook lifestyle. ‘Als je samen wilt wonen met anderen en je hebt niet heel veel geld dan is Carex eigenlijk de enige optie.’ Marije vertelt hoe zij en haar toenmalige partner samen met nog twee stellen hebben geprobeerd om een schooltje in Glimmen te kopen en bewoonbaar te maken. ’Dan loop je toch wel tegen een hoop regels aan. De welstandcommissie komt natuurlijk om de hoek kijken, maar we moesten bijvoorbeeld ook de school zó verbouwen dat je er drie adressen van kon maken. Uiteindelijk begint het dan gigantisch in de papieren te lopen.’ Inmiddels woont ze aan de rafelranden van de stad met drie anderen in een monumentaal schooltje,  kort na de Tweede Wereldoorlog gebouwd van Fins hout. Ze heten dan ook niet voor niets de Finse Scholen. ‘ Het is echt zo’n rafelrandje in de buurt van een oude conservenfabriek en een woonwagenkamp. Het niet helemaal duidelijk wat er allemaal gebeurd. Ik houd daar wel van.’

Carex is een aardige graadmeter om te achterhalen welke mensen een beetje tussen wal en schip vallen. Veel gescheiden mensen hebben geen andere optie dan bij Carex aankloppen voor een woning. In Groningen heb je pas na vijf jaar punten sparen een aardige woning in de sociale sector. ‘We maken wel eens de grap dat we er na een inloopdag meteen een speeddate sessie achteraan kunnen plakken,’ zegt Marije.

Marije heeft ook op ondernemersvlak niet de meest geweldige ervaringen met de overheid. Ze is bezig geweest met het opstarten van een huiskamerrestaurant, maar dat is nog niet gelukt. ‘In Berlijn is voor een dergelijke uitbating een wc voldoende, hier moet je per se twee wc’s hebben en een voorportaal waar je je handen kan wassen.’ In de ruimte die Marije op het oog had zat een schuifdak waardoor het goed kon doorwaaien. Toch bleef een afzuiginstallatie verplicht. Er moet gewoon altijd een lijst afgevinkt worden. ‘Met iedere regel wordt weer wat vrijheid geofferd, dat beseft men zich nauwelijks. Het zou goed zijn als er iets meer filosofie aan te pas kwam en overheidsfunctionarissen een wat bredere visie op de samenleving zouden hebben. Men beseft zich te weinig dat ze daar uiteindelijk zitten voor ons.’

Volgens Marije zijn de meeste nieuwe ondernemingen die je bijvoorbeeld terugziet in de Oude Kijk in ’t Jatstraat van ondernemers met geld en niet van de creatieveling.

Het initiatief JOP van Karina Backs is volgens Marije heel interessant. Zij verzamelen namelijk winkelpanden om hier jonge creatieve ondernemers een kans te geven om hun idee te lanceren. Voor een woonkamerrestaurant is dat niet praktisch omdat de investeringen te hoog zijn. ‘Twee wc’s, een afzuiginstallatie, Buma Stemra-rechten…. Het is een behoorlijke lijst.’ Marije heeft de moed nog niet opgegeven, integendeel, haar spaargeld is nog steeds gemarkeerd om er haar droom mee te verwezenlijken.