Categorie archief: Column

Schermafbeelding 2015-05-23 om 08.37.08

Wonen in Stad: nieuwe woonvisie is klaar

Meer maatwerk voor kamerverhuurbeleid, een programmatische aanpak bij het verduurzamen van huizen en beter inspelen op de groei van het aantal kleine huishoudens in de stad: het zijn een aantal onderwerpen die prominent aan de orde komen in de nieuwe Woonvisie Wonen in Stad die het College van B&W op 19 mei 2015 heeft vastgesteld. Andere speerpunten zijn ouderen- en zorghuisvesting en de beschikbaarheid van voldoende betaalbare sociale huurwoningen voor de mensen die dit nodig hebben. Benieuwd naar het resultaat? Blader dan hier door de nieuwe Woonvisie!

Bram breekt in: Stroomversnelling

Overal in het land zijn corporaties bezig om een deel van hun bestaande woningbestand klimaatneutraal te maken. Dat wordt ook wel ‘nul op de meter’ genoemd. De woning wordt geïsoleerd en wekt zelf door middel van zonnepanelen voldoende energie op voor de bewoners. Er komen dus geen energieleveranciers van buiten aan te pas.

Zes corporaties en vier aannemers zijn onder de noemer Stroomversnelling bezig met een aantal pilotprojecten door het hele land.

De eerste conclusies en woonervaringen zijn binnen. Lefier, die in Paddepoel een aantal portieketageflats klimaatneutraal maakt, is voorzichtig positief. ‘Op zichzelf werkt de woning goed. Wat we wel zien in het proces is het belang van goede communicatie. Je moet bewoners goed uitleggen hoe alles werkt, en aandacht besteden aan het kostenplaatje voor de bewoner. Want energiebesparing doen we niet alleen voor het milieu, maar ook voor de portemonnee van de huurders. Er wordt veel gekeken vanuit de techniek en de innovatie. We willen natuurlijk meters maken, maar vanuit de corporatie moeten we af en toe op de rem trappen. Je moet ook aandacht besteden aan de ‘woon-kant’ van het verhaal. Uitleggen waarom iets goed is. Techniek en bewoner bij elkaar brengen.’

Tijmen Hordijk van Lefier zegt dat er goed gekeken moet worden naar de plekken waar je deze isolatie operatie wel en niet toepast. Het wordt volgens hem geen formule die je overal zomaar even kunt uitrollen. Toch is dit een waardevol experiment. ‘Het hoort bij onze taak als corporatie om op zoek te gaan naar nieuwe manieren van wonen die meer rekening houden met het klimaat én met het beperken van de woonlasten.’

 

Bram breekt in: Stad als startup

Wie maken eigenlijk de stad? Dat zijn de bewoners natuurlijk. Maar het zijn ook de stedenbouwkundigen en de beleidsmakers die de behoefte van bewoners interpreteren en vertalen. Wat willen die? Vinex-wijken? Dan bouwen we Vinex- wijken en winkelcentra en meubelboulevards. Toch zijn er ook andere, meer genuanceerde behoeften, die wellicht minder grootschalig kunnen worden uitgerold, maar wel van belang zijn voor een diverse stad.

Bovendien valt er wel wat af te dingen op het zogenaamde succes van de buitenwijk. Vaak wordt gedacht dat grootstedelijke problemen (verkeer, criminaliteit) kunnen worden opgelost door elders opnieuw te beginnen. De Vinex-wijk heeft altijd als een stedelijke appendix moeten functioneren en mocht zelf nooit volwassen worden. Ze mochten eigenlijk niks worden, dat was hun kwaliteit. De non-identiteit van een slaapstad.

Het nut van deze nadrukkelijke functiescheiding in wonen, werken en recreëren wordt allang niet meer als onomstotelijke waarheid aangenomen. Als je een stad wilt maken, zul je juist functies moeten mengen. Bovendien staan ideeën over wonen, leven en werken niet stil. Gezinssamenstellingen veranderen en mensen willen niet langer het standaardpakket. Er duiken steeds meer kleinere organisaties op die in tegenstelling tot corporaties en overheden veel specifieker kunnen inzoomen op de woonbehoeften van mensen. Een van die organisaties in Groningen is Rizoem. Ik zoek ze op in de Gelkingestraat en wordt ontvangen door Dick Janssen en Gosé Posthumus.

Het nieuwe bouwen

‘We zijn een Productiehuis,’ zegt Dick. ‘Een stedenbouwkundig productiehuis. We lenen deze term van de televisie- of theaterwereld, omdat het uiteindelijk gaat om het publiek. Hun waardering is voor ons uiteindelijk het enige waar het om draait.’ Gosé valt hem bij: ‘ We hebben er niks aan als wij tevreden zijn, of de gemeente of wie dan ook, maar de bewoner niet.’ Rizoem ontwikkelt soms gebouwen, soms adviseren ze alleen maar en vaak proberen ze verschillende elementen die te maken hebben met wonen, leven en werken aan elkaar te koppelen. De productie die ze leveren is iedere keer weer anders.

‘Vroeger was het natuurlijk veel meer hit and run,’ gaat Dick verder. ‘Een projectontwikkelaar levert iets op en maakt zich uit de voeten. Wij zullen altijd betrokken blijven bij de projecten die we opleveren.’

Rizoem is het type bedrijf dat past in de participatiesamenleving. Veel zaken die traditioneel bij corporaties hoorden en bij de overheid, worden overgeheveld naar de markt. ‘En de markt dat zijn de mensen,’ meldt Gosé . ‘Het is de kunst om te achterhalen wat ze willen en dat is nog niet eens zo eenvoudig of vanzelfsprekend. Iets bijzonders is namelijk heel vaag. Wie werkelijk zo’n traject ingaat om samen iets van de grond te krijgen (zoals Yvonne Geerdink met De Buren doet), zal er veel eigen energie in moeten stoppen. Zeggen wat je wilt is één ding, zeggen wat je niet wilt is nog belangrijker, maar wel hartstikke moeilijk in zo’n groep. Daarom heb je clubjes zoals wij nodig. ‘

Rizoem zit momenteel in zo’n proces op het Europapark. De gemeente had een bepaalde locatie tussen kantoren in gedachten, maar Rizoem dacht dat het betere was om in een andere hoek aan het water te beginnen. Dat zou de start van de ontwikkeling succesrijker maken.

Ze vonden mensen die samen een gebouw willen bewonen met veel gemeenschappelijke ruimtes. Het zijn mensen die elkaar nu nog niet kennen, maar binnenkort buren zijn en een eerste stukje stad gaan vormen op een plek die een paar jaar geleden nog bekend stond als bedrijventerrein. Die bewoners worden allemaal begeleid, want er is nog niks ingevuld. ‘Iedereen denkt dat hij creatief is, maar er zijn maar weinig mensen die zelf gaan tekenen of iets vreemds verzinnen. Het wordt vaak de standaard IKEA-keuken die erin gaat. Wij zijn er ook om dat creatieve proces op te starten en niet meteen voor de makkelijke oplossing te kiezen.’

Rizoem zegt ervan te houden als hun cliënten, de bewoners, een huurovereenkomt met hen aangaan, want juist in zo’n geval is het mogelijk om een langetermijnrelatie te ontwikkelen met een project.

Zandbak

Sinds voormalig wethouder Frank de Vries sterk heeft ingezet op initiatieven van onderaf, worden er overal in de stad stedenbouwkundige experimenten uitgevoerd. Zo ook op het voormalige Suikerunieterrein. Van de gemeente mag Rizoem hier samen met architect Paul van Bussel en adviseur Hein Braaksma (samen ploeg ID 3) invulling aan geven. ‘Dat is nou typisch zo’n plek waar je ook dingen kunt laten mislukken,’ zegt Dick. ’Dat bedoel ik niet negatief want mislukken is juist een groot goed, het betekent namelijk dat je risico’s durft te nemen en iets nieuws wilt uitproberen. Als iets niet kan mislukken, is het eigenlijk ook niet waardevol.’

Gosé zegt dat hij op het terrein het liefst conceptuele types en makers bij elkaar brengt. ‘Vaak zie je dat dingen blijven hangen in een idee, het zou geweldig zijn als zo’n idee ook meteen kan worden gemaakt.’

Bax Bier gaat op het Suikerunieterrein een bierbrouwerij beginnen. Veel van het personeel zal bestaan uit mensen die doorgaans moeite hebben om toegang te krijgen tot de arbeidsmarkt.

AOC Terra, een praktijkopleiding in Groningen, wil de opleiding meer naar buiten brengen. Ook met Terra is Rizoem in gesprek. ‘Als leerlingen moeten oefenen bij het metselen van een muurtje, dan kan dat dan niet meteen in iemands tuin? Hoe faciliteer je dat? Wij willen daarbij helpen,‘ zegt Dick.

ID3 heeft zich ten doel gesteld een prettig verblijfsruimte op het terrein te ontwikkelen. Dat wil niet zeggen dat er een woonwijk moet komen, maar het moet prettig zijn er te vertoeven. Wat is daarvoor nodig? In de eerste plaats moeten er dingen gebeuren. Leven in de brouwerij!

Aardbevingen

Rizoem adviseert de gemeente Loppersum over een schooltje in relatie tot de aardbevingen. ‘Niet dat we per se verstand hebben van aardbevingen,’ zegt Gosé, ‘maar we weten wel waar we de kennis vandaan moeten halen.’

Wederom komt hun rol als productiehuis weer naar voren. Als het over de aardbevingen gaat kun je namelijk kiezen welk ‘stukje’ je opvoert. Veel advocatenkantoren draaien een negatief verhaal af. Hun expertise ligt in de claimcultuur en het schetsen van zwarte scenario’s. Ze waarschuwen dat je vooral niet onder de schoorsteen moet gaan slapen wegens instortingsgevaar.

Je kunt ook proberen de gebeurtenissen te zien als een moment om opnieuw te focussen en te kijken waar het nou eigenlijk om draait in de regio en in het leven. Rizoem wil vooruit kijken en vraagt zich bijvoorbeeld af wat je met het gebied zou kunnen als het gas eenmaal op is. Welke kwaliteiten heb je in huis?

Ik stel voor om de regio weer onder water te zetten en de herenboerderijen als eco-ruïnes te laten vervallen. De heren reageren voorzichtig enthousiast. ‘De denkrichting is goed,’ zegt Gosé,’ je neemt een voorsprong op de zeespiegelstijging en het feit dat landbouwproductie steeds meer richting oost Europa verschuift.’

Woonvisie

Een woonvisie gaat volgens Rizoem helemaal niet specifiek over wonen, maar over de vraag waar je als stad over 15 jaar wilt zijn. Een stad is een magneet die zowel aantrekt als afstoot. Je moet dus goed bepalen wat je wilt aantrekken en wat je wilt afstoten. ‘Als Google zich hier wil vestigen, wil je dat dan wel of niet? En als je dat wilt, dan zul je eraan moeten trekken.’ zegt Dick, ‘Vanuit de woonvisie vinden we dat er meer beweging moet komen op de woningmarkt. Maar ja, dat willen we allemaal wel. De vraag is: hóe ga je het doen?’

De heren hebben er verschillende ideeën over. Het hoeft volgens hen allang niet meer zo zwart/wit te zijn dat je alleen kunt kiezen tussen huren en kopen. Gosé: ‘We denken aan vormen van leasen waarbij mensen toch kapitaal kunnen opbouwen. Je zou je kunnen voorstellen dat mensen projecten ondernemen rondom de woning waardoor de waarde toeneemt. Als mensen investeren in hun omgeving, dan mogen ze ook delen in de waardevermeerdering.’

Zo bereik je de bewoners veel sterker bij het proces van stad maken en wordt iedereen uitgedaagd zich pro-actief op te stellen als (cultureel) ondernemer. Ik moet direct denken aan Alexander en Marije, die ik interviewde voor mijn column Woonruimte voor de marginale krabbelaars, ook te lezen op dit blog. Voor hen zou zoiets interessant kunnen zijn. Marije kan een huiskamerrestaurant beginnen. Het zal haar wat geld kosten, maar ze verkeert in de wetenschap dat ze het geld weer terugkrijgt via de waardevermeerdering van haar huis. En Alexander? Die kan dan als een van zijn typetjes in de bediening werken. Wie weet wordt het ooit nog wat.

Bram breekt in: Woonruimte voor de marginale krabbelaars

Op 26 maart jl. schetste econoom en ‘dwarsdenker’ Robin Fransman op een avond over ZZP-ers in het Groninger Forum een doembeeld over een race naar de bodem waarbij iedereen voor steeds minder geld diensten gaat leveren. Ondertussen is er geen belasting te heffen op deze ‘marginale krabbelaars’, zoals Fransman ze noemt. En dat terwijl ze wel gebruik maken van collectieve voorzieningen als de zorg. Een onhoudbare situatie, volgens hem. Sterker, hij vergeleek de situatie waarin veel kleine zelfstandigen nu zitten zelfs met de slavernij. ‘Die slaven waren misschien wel beter af. Hun eigenaren dienden te zorgen voor huisvesting en voedsel. Bij een onderbetaalde ZZP-er hoeft dat zelfs niet.’ Fransman leek te denken dat de meeste zelfstandige ondernemers dat eigenlijk helemaal niet willen, maar daartoe gedwongen zijn, zoals de medewerkers van Post.nl die uit pure nood voor een appel en een ei uw Bol.com bestellingen aan de deur afleveren.

Nieuw eigenaarschap
Er zijn echter ook mensen die voor zichzelf een naam willen maken en daardoor noodgedwongen een leven van marginale krabbelaar moeten leiden alvorens ze kunnen doorbreken. Een van die talenten is Alexander Weeber (30), een schrijver en performer die beter bekend staat als Wabbesch Wabbesch. Enkele van zijn onvergetelijke typetjes zijn Marjolein Rover, Tils Posthumus en Mettie Metworst.

Alexander woont aan de Noordsingel in een voormalig schoolgebouw uit 1880 met een verlaagd systeemplafond van later datum. Het gebouw wordt beheerd door de anti- leegstand organisatie Carex. ‘Eerst woonde ik in een heel klein studiootje aan de WA Scholtenstraat, daar kon ik nauwelijks mijn spullen kwijt.’ Dat is hier wel anders. Alexander heeft naar schatting 80 vierkante meter tot zijn beschikking.

Ik word rondgeleid. In de eerste ruimte met grote klassieke schoolramen staan de eetkamertafel en zijn bureau met computer. Daarna een iets kleinere ruimte met een zelfgetimmerd hoog bed. ‘This is where the magic happens,’ legt Alexander uit. Daarna volgt het grootste lokaal dat is ingericht als woonkamer met sofa’s en een tv. Er staan ook muziekinstrumenten opgesteld en een hometrainer om in conditie te blijven. De hond van Alexander, Fakkel, blijkt in zijn afwezigheid de hele zitting van de sofa te hebben gesloopt. ‘Nu moet ik even boos worden,’ zegt Alexander, ‘het is natuurlijk ook wel vervelend.’

Ik vraag hem waarom zijn gezicht oranje is gekleurd. ‘Oh dat ja, hoe leg ik dat uit?’ Het blijkt niet zo moeilijk. Voor een vriend die een huis heeft gebouwd, slijpt hij bakstenen doormidden. ‘Hij heeft zo’n houtskeletbouw laten neerzetten en nu gaat hij dat beplakken met stukjes baksteen. Eigenlijk sta ik daar helemaal niet achter. Soms ga je over je eigen grenzen heen als je geld nodig hebt.’ Alexander is wat Robin Fransman een typische marginale krabbelaar zou noemen. Toch is het goed dat deze mensen er zijn. Ze bepalen mede de cultuur van de stad. Wabbesch Wabbesch treedt iedere maand op in de Groningse talkshow Stand van Stad en is betrokken bij het cultureel platform de Gym.

Zulke mensen wil je als stad niet kwijtraken, zeker niet omdat er bijvoorbeeld geen gepaste woonruimte voor hen zou zijn. Veel zelfstandige ondernemers verdienen veel te weinig om iets te kunnen kopen. En ook regulier huren is vaak geen optie: bij de corporaties stuiten ze op lange wachtlijsten of woningen die ongeschikt zijn voor een combinatie van wonen en werken en de commerciële huur is gewoon weer veel te duur. Daardoor bouwen ze eigenlijk nooit iets op. Leuk dat leegstandbeheer of anti-kraak, maar waarom zou je investeren in de wetenschap dat je een maand later alweer ergens anders woont en overnieuw kunt beginnen?

Zouden er geen constructies denkbaar zijn waarbij je bijvoorbeeld over de periode van tien jaar langzaam eigenaar zou kunnen worden door telkens iets in de woning te investeren? Alexanders gezicht klaart op en hij begint spontaan te fantaseren over het kookeiland dat hij dan zou aanleggen, met afsluitkap. Vooralsnog kookt hij in het washok van de andere bewoners.

Minder regels
Marije Lamsma (33) werkt als kleine zelfstandige in de catering en is een paar dagen in de week werkzaam bij de tijdelijke huisvester Carex. Je zou haar kunnen kennen van het Noorderzonfestival waar ze met mobiele crêperie van ‘cut the crêpe’ pannenkoekjes bakt. Ik bedoel crêpes. Ze wil wel even een misverstand wegnemen als ik zeg dat Carex een anti-kraak organisatie is. ‘Wij vinden het maatschappelijk niet verantwoord dat er woningnood bestaat en dat er tegelijkertijd gebouwen leegstaan. Anti-kraak organisaties zetten maar een paar mensen in een gebouw terwijl wij het van belang vinden om de ruimte in zo’n pand optimaal te benutten door er woon- en werkruimte beschikbaar te stellen.’

Volgens Marije is wonen bij Carex deels noodzaak en deels ook lifestyle. ‘Als je samen wilt wonen met anderen en je hebt niet heel veel geld dan is Carex eigenlijk de enige optie.’ Marije vertelt hoe zij en haar toenmalige partner samen met nog twee stellen hebben geprobeerd om een schooltje in Glimmen te kopen en bewoonbaar te maken. ’Dan loop je toch wel tegen een hoop regels aan. De welstandcommissie komt natuurlijk om de hoek kijken, maar we moesten bijvoorbeeld ook de school zó verbouwen dat je er drie adressen van kon maken. Uiteindelijk begint het dan gigantisch in de papieren te lopen.’ Inmiddels woont ze aan de rafelranden van de stad met drie anderen in een monumentaal schooltje,  kort na de Tweede Wereldoorlog gebouwd van Fins hout. Ze heten dan ook niet voor niets de Finse Scholen. ‘ Het is echt zo’n rafelrandje in de buurt van een oude conservenfabriek en een woonwagenkamp. Het niet helemaal duidelijk wat er allemaal gebeurd. Ik houd daar wel van.’

Carex is een aardige graadmeter om te achterhalen welke mensen een beetje tussen wal en schip vallen. Veel gescheiden mensen hebben geen andere optie dan bij Carex aankloppen voor een woning. In Groningen heb je pas na vijf jaar punten sparen een aardige woning in de sociale sector. ‘We maken wel eens de grap dat we er na een inloopdag meteen een speeddate sessie achteraan kunnen plakken,’ zegt Marije.

Marije heeft ook op ondernemersvlak niet de meest geweldige ervaringen met de overheid. Ze is bezig geweest met het opstarten van een huiskamerrestaurant, maar dat is nog niet gelukt. ‘In Berlijn is voor een dergelijke uitbating een wc voldoende, hier moet je per se twee wc’s hebben en een voorportaal waar je je handen kan wassen.’ In de ruimte die Marije op het oog had zat een schuifdak waardoor het goed kon doorwaaien. Toch bleef een afzuiginstallatie verplicht. Er moet gewoon altijd een lijst afgevinkt worden. ‘Met iedere regel wordt weer wat vrijheid geofferd, dat beseft men zich nauwelijks. Het zou goed zijn als er iets meer filosofie aan te pas kwam en overheidsfunctionarissen een wat bredere visie op de samenleving zouden hebben. Men beseft zich te weinig dat ze daar uiteindelijk zitten voor ons.’

Volgens Marije zijn de meeste nieuwe ondernemingen die je bijvoorbeeld terugziet in de Oude Kijk in ’t Jatstraat van ondernemers met geld en niet van de creatieveling.

Het initiatief JOP van Karina Backs is volgens Marije heel interessant. Zij verzamelen namelijk winkelpanden om hier jonge creatieve ondernemers een kans te geven om hun idee te lanceren. Voor een woonkamerrestaurant is dat niet praktisch omdat de investeringen te hoog zijn. ‘Twee wc’s, een afzuiginstallatie, Buma Stemra-rechten…. Het is een behoorlijke lijst.’ Marije heeft de moed nog niet opgegeven, integendeel, haar spaargeld is nog steeds gemarkeerd om er haar droom mee te verwezenlijken.

 

 

 

 

Bram breekt in: Confectiekamers voor studenten

Groningen zit vol bijzondere woonvormen: van het Oude RKZ en de ecologische woonbuurt Waterland tot een tehuis voor Chinese ouderen. Wij stuurden Stand van Stad verslaggever Bram Esser naar het Europapark voor een bezoek aan een studentencomplex, naar confectie-architectuurconcept.

Woonvisies kunnen soms op elkaar botsen. Een klassieker is wat dat betreft de botsing tussen Stadjers en studenten. Steeds vaker hoor je de roep om een campus als oplossing voor overlast in wijken rondom de binnenstad. Je lost die problemen niet op door alle studenten massaal buiten de stad te plaatsen. Natuurlijk is het mogelijk dat er wrijving ontstaat tussen verschillende levensfases en woonstijlen, maar de onderhandelingen daartussen maken juist deel uit van een leefbare stad. Samenleven betekent uiteindelijk dat je compromissen moet sluiten.

Jongeren op een goede manier huisvesten is vandaag de dag echter wel een uitdaging. Er valt niet te ontkennen dat projectontwikkelaars en huisjesmelkers soms schaamteloos de beschikbare ruimte vol bouwen en daar dan schandalige huurprijzen voor vragen. Vooral het zogenaamde optoppen van bestaande woningen waar dan weer studenten in worden ondergebracht wordt gezien als een probleem. Het is daarom goed dat er voor studenten betaalbare woonstudio’s komen in grotere complexen aan de rand van het centrum. Ze zijn gestandaardiseerd; what you see is what you get. Je hoeft niets meer te delen en je kunt je focussen op je studie. Architect Carel Weeber maakte al eens de vergelijking tussen architectuur en confectiekleding. Studenten kopen hun kleding bij de goedkope kledingketens en nu krijgen ze ook allemaal een gestandaardiseerde kamer.

Hete Kolen
Een voorbeeld van zo’n studentencomplex, gemaakt volgens het concept van confectie- architectuur, bevindt zich op het Europapark en wordt verhuurd door woningbouwcorporatie Lefier. Ik ga erheen om de sfeer te proeven. De crisis heeft een einde gemaakt aan de torenhoge ambities van dit bedrijventerrein en inmiddels is het een meer hybride plek geworden. Bedrijven, woningen, een stadion, een supermarkt, een bioscoop en restaurants. Je zou kunnen stellen dat door het realiseren van woningbouw de plek als vanzelf bij de stad getrokken wordt. De studenten gelden hier als nieuwe pioniers.

Als ik bij het gebouw aankom, zie ik een jongen in een bruin lederen jack met een bakfiets van Ikea. Hij heet Andreas Kort en is bezig met het uitladen van een laminaatvloer. Ik help hem even. Andreas is rechtstreeks vanuit Den Haag hier komen wonen omdat zijn vriendin in Groningen studeert. Hij gaat zelf misschien ook een studie doen. Hij woont op de vijfde verdieping van de Hete Kolen. Ik moet op de tweede zijn. De lift is nog afgetimmerd met hout en dat laten ze vaak even zo omdat er verhuisd moet worden en dan treden er gemakkelijk beschadigingen op. Een lange gang met links en rechts kamers. Het doet institutioneel aan. Alleen de deurmatten tonen iets van de bewoner die achter de deuren schuilgaat. Hoewel; wat zegt een Jip-en-Janneke-deurmat precies over de persoon die er woont?

Leonie van Vliet, met wie ik heb afgesproken, heeft in elk geval een neutrale deurmat. Ze is in de weer met grote stapels studieboeken als ik binnenkom. Ze studeert rechten en internationale betrekkingen. We drinken thee en Leonie vertelt dat ze actief lid is van de bewonersvereniging. ‘Dat is wel heel leuk, want de opzet van dit gebouw is natuurlijk vrij rechtlijnig. Als je iets van een gemeenschap wil creëren moet je dat wel actief doen. We hebben een facebook-pagina.’

Leonie is tweedejaars. In haar eerste jaar woonde ze in de Korrewegwijk. Ze had een kamer van tien vierkante meter en moest alles delen. Daar werd ze op den duur een beetje flauw van. ‘Eerst denk je dat iemand nog even moet wennen, dat het later beter wordt. Maar als je huisgenoten systematisch het afval niet wegbrengen en als jij dat telkens moet doen, dan is dat best vermoeiend. Hier heb ik een eigen keuken en badkamer en omdat ik een eigen voordeur heb, kan ik huursubsidie aanvragen. Al met al ben ik maar 50 euro per maand duurder uit en ik heb twee keer zoveel ruimte.’

Het Europapark ligt op tien minuten fietsen van het centrum. ‘Gevoelsmatig vinden vrienden het toch vaak te ver weg en vragen ze of ik niet naar hen toe kan komen.’ Ze vindt het prettig dat er een grote supermarkt in de buurt is en ze is ook wel eens naar de bioscoop geweest in de Euroborg. ‘Toch heeft dat geen sfeer. Er zit bijna niemand in de zaal.’

Op haar bed liggen grote kussens. Die heeft haar oma genaaid. ‘In mijn vorige kamer deed mijn bed ook dienst als bank. Je kon nergens anders op zitten.’ Het roept herinneringen op aan mijn eigen studententijd. Ook ik had een bed waar mijn moeder kussens voor had gemaakt. Als je met een meisje op de bank zat, lag je eigenlijk al met haar in bed. Dat was het idee. Hokken in kleine ruimtes heeft ook wel iets romantisch.

‘Veel mensen die hier wonen komen uit de stad Groningen en hebben al een sociaal netwerk,’ zegt Leonie. ‘Voor studenten van buiten is dat anders. Die zullen niet meteen hier gaan wonen, want dan zit je toch wat al te geïsoleerd.’ Van het stadion heeft ze geen last. ‘Ik was hier laatst op zondag, maar je hoort echt helemaal niks. De geluidsisolatie is goed. Ook van de buren hoor je niks, alleen als er door de gang gelopen wordt. Dat merk je wel.’

Dakterras
We gaan even op het dakterras kijken. Onderweg naar boven zie ik een winkelwagentje bij de liften staan. ‘Daar wordt mee door de gangen gescheurd,’ weet Leonie. Het is een geruststellende gedachte; ondanks het institutionele karakter blijft het toch studentenhuisvesting.

Minder dan de helft van het dak is geschikt gemaakt om op te lopen. De rest wordt afgeschermd met een hekwerk. Dat is wat karig. Hier kunnen dus de gezamenlijke feesten worden georganiseerd door de bewonersvereniging. Er zijn terrasmeubels gemaakt die omgebouwd kunnen worden tot grotere tafels. Stopcontacten beloven alvast dat je daar heerlijk kunt werken in de zomer.

‘Zijn er nog andere dingen die de bewonersvereniging moet doen?’
‘We hebben een rekening waar Lefier de twee euro op stort die iedereen moet betalen voor servicekosten. Met dat geld moeten wij de wasmachineruimte beheren.’

Collectief bodemwarmtesysteem
Als we weer binnen zijn, drink ik nog een kopje thee. Leonie heeft het prima voor elkaar. Er is zelfs vloerverwarming. ‘Ja, in de zomer wordt het juist gebruikt om de ruimte te koelen. Dat moeten we ook met de vereniging beslissen. Wanneer de knop wordt omgezet naar omgekeerde vloerverwarming. Hete Kolen is de eerste afnemer van het nieuwe collectieve bodemwarmtesysteem op het Europapark. Via een warmtepompsysteem en een koppeling aan een centraal bronwaternet is het mogelijk om onderling tussen gebouwen energie uit te wisselen.

Kleine Beer
De Kleine Beer heeft net als Hete Kolen, de kleur oranje als huisstijl, zij het wat subtieler. De balkons zijn oranje en in de entreehal zit oranje glas. De gangen van Kleine Beer maken bochten, hebben tussendeuren en de chique uitstraling van een hotel. De appartementen die Nijestee aanbiedt aan min 27-jarigen zijn groter dan die van Hete Kolen. Daartegenover staat dat er geen gemeenschappelijke ruimtes zijn. ‘Doen jullie niks samen?’, vraag ik aan Sjoerd Rumpt die me zijn kamer laat zien. ‘Jawel. Eens per jaar hebben we een barbecue, maar dat doen we op de parkeerplaats. Die wordt nauwelijks gebruikt omdat het betaald parkeren is. Verderop is het gratis, bovendien heeft niemand hier een auto. De parkeerplaats is dus ons dakterras op de begane grond.’

Toch hebben ze ook hier een facebookpagina. ‘Hebben we zelf opgezet en het is best handig. Zoals je nu hoort, gaat er een rookmelder af waarvan de batterijen vervangen moeten worden. Daarover plaats ik even een berichtje op facebook want zo’n piepje kan best lang duren.’

Volkstuin
Sjoerd vertelt over de volkstuin verderop, die geïnitieerd is door Nijestee. ‘Het werkt goed, want er was onderling nauwelijks contact in de buurt en nu hebben ze een gezamenlijke plek om elkaar te ontmoeten.’ Ik vraag hem of hij denkt dat zo’n volkstuin ook kan werken bij het verbeteren van betrekkingen tussen studenten en stadjers. ‘We moeten zo’n tuin niet romantiseren. De een is een jonge vader die na een dag werken toe is aan z’n nachtrust, de ander is een brullende student die zich vol laat gieten met bier. Dat zijn toch wel heel verschillende werelden. Bovendien heeft de overheid bepaald dat dit soort initiatieven van de bewoners zelf moet komen. Dat is de Participatiesamenleving, hè.’

Campus
Sjoerd is een grote voorstander van de campus. ‘De campus is een heel goed idee, niet iedereen heeft zo’n studio als ik. De woekerprijzen zijn voor veel mensen niet meer te betalen.’ Het plan zoals de PvdA het heeft bedacht voor het Zernike-terrein vindt hij echter niet goed omdat ze daar alleen maar internationale studenten voor hebben bedacht. ‘Ik vind niet dat je het zo moet specificeren voor internationale studenten. Je moet dat juist mixen. De internationale studenten komen nou juist naar Nederland om ook iets van het lokale leven mee te krijgen, die moet je niet gaan isoleren op de campus.’

We concluderen dat een campus misschien niet zo gek is omdat je met woon- en leeffuncties nou eenmaal een stad maakt. Zernike is een studiecampus met collegezalen en onderzoekscentra. Het kan geen kwaad om ook daaraan woonfuncties  toe te voegen en er studenten (van alles nationaliteiten) te laten wonen als nieuwe pioniers. Zo krijg je daar ook ‘s avonds meer reuring op straat .

Column: IJsbeertjes

Per 1 juli treedt de nieuwe woningwet in werking. Corporaties moeten zich richten op hun kerntaak: betaalbare huurwoningen voor mensen met lagere inkomens. Ook is geregeld dat het Rijk, de gemeente én de huurders meer invloed krijgen op wat corporaties doen. Dat is prima! Maar wat als deze ‘belanghouders’ het onderling niet eens zijn? Dat lijkt zich vooral op het punt van verduurzaming af te tekenen. Gemeente, Rijk en anderen formuleren allerlei milieudoelstellingen: ik geloof dat Nijestee valt onder acht verschillende deals, akkoorden, voornemens en convenanten die gaan over het terugdringen van energieverbruik, CO2-uitstoot en dergelijke (terwijl we er zelf maar één onderschreven hebben). Ook de gemeente Groningen wil energieneutraal worden, wil geothermie, wil windmolens en zonnepanelen en nul-op-de-meter woningen…. Maar onze huurders lopen er niet erg warm voor (er zijn uitzonderingen). U vindt het teveel gedoe, teveel risico, te lang duren voor u het terugverdient, of u vindt ‘de ijsbeertjes’ domweg uw belangrijkste probleem niet. Hoe gaat Nijestee de gemeente én de huurders tevreden stellen? Graag uw hulp.

Door: Pieter Bregman
Algemeen directeur/bestuurder Nijestee

Roeland van der Schaaf Suikerunie-1

Column: Rechtvaardigheid, kwaliteit en zeggenschap

Een groot onderdeel van de woonvisie is de positie van de sociale huurders en die van corporaties. Voor mij zijn daarbij de volgende uitgangspunten van belang:

Rechtvaardigheid
Kenmerkend voor de Nederlandse volkshuisvesting is een ruim aanbod van sociale huurwoningen voor een brede doelgroep. Dit aanbod is vaak gespreid over de stad. Het Rijksbeleid van nu is gericht op het verkleinen van de sociale huurvoorraad en het meer passend toewijzen van die voorraad aan de doelgroep. Gevolg? Meer regels, minder keuzevrijheid voor huurders en een aantasting van de ongedeelde en rechtvaardige stad. Een slechte zaak. Wat mij betreft richten we ons in Groningen daarom op het koesteren en versterken van de ongedeelde stad. Dus terughoudendheid met het verkopen van (grondgebonden) sociale huurwoningen in populaire wijken. Maar wel ruimte voor sociale huurwoningen op gewilde nieuwbouwlocaties. Rechtvaardigheid in de volkshuisvesting betekent dat ook sociale huurders keuzevrijheid hebben.

Kwaliteit
Je hoort wel eens de kritiek dat we te luxe bouwen voor de sociale huurders. Zeker nu de betaalbaarheid door crisis en rijksbeleid in de knel komt. Door niet of minder te investeren in de woningen zouden we de huren ook laag kunnen houden. Die kant moeten we niet op. Dat is de bijl aan de wortel van al het goede in onze volkshuisvesting. Goedkoop wonen is geen kunst. Goed wonen tegen een sociale prijs is dat wel. We zijn nog steeds trots op de sociale huurwoningen uit de jaren 30. Toen werd er uit overtuiging kwaliteit gebouwd. Dat moeten we ook nu doen. Bijvoorbeeld door te investeringen in energiebesparing. Hierdoor zorgen we voor structureel lagere woonlasten en wooncomfort.

Zeggenschap
Het debat over de positie van de corporaties zit gevangen in de eendimensionale tegenstelling tussen overheid en markt. Ik vind dat we daarbij vergeten dat corporaties ook een alternatief voor de markt en overheid zouden kunnen worden. Wat mij betreft functioneren de corporaties in de stad al deels als alternatief voor overheid en markt. Dat heeft in NLA verband al mooie resultaten opgeleverd. Maar de corporaties zouden dit verder door kunnen zetten door op zoek te gaan naar samenwerkingsvormen waarbij mensen meer zeggenschap over de eigen woon- en leefomgeving krijgen.  Bijvoorbeeld op het gebied van energievoorziening, leefbaarheid en het ontwikkelen van de bebouwde omgeving. Om daar te komen zouden corporaties moeten democratiseren en decentraliseren. Corporaties zouden zich kunnen ontwikkelen tot in de lokale samenleving gewortelde organisaties die meer ‘van onderop’ worden bestuurd. In wezen een vergelijkbare ontwikkeling die we als gemeente willen maken met het gebiedsgericht werken, de wijkwethouders en festivals als Let’s Gro.

Ik zou in Groningen de corporaties daarom willen uitdagen om weer voorop te lopen:

  • Maak energiecorporaties, waardoor huurders onafhankelijk worden van energiereuzen!
  • Laat huurders zelf keuzes maken in onderhoudsbudgetten.
  • Daag studerende huurders uit om hun talent voor de wijk in te zetten.
  • Start een CPO-project met sociale huurders!
  • Maar blijf ook partner van de gemeente in leefbaarheid en het sociale domein.

Voor een rechtvaardige stad is goede volkshuisvesting onmisbaar. Dit betekent keuzevrijheid, goed betaalbaar wonen en zeggenschap over leefomgeving en investeringen voor iedereen.

Door: Roeland van der Schaaf, wethouder Wonen en Stadsontwikkeling